Psalm 16:11

“Gij zult mij het pad des levens bekendmaken; verzadiging [overvloed] van vreugde is bij Uw aangezicht; lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor eeuwig” (Psalm 16:11).

Bekendmaken = een gids, die het pad door ervaring kent. Dan voel je je veilig. De wegen waren soms moeilijk te vinden.

Psalm 16:5-6

“De HEERE is mijn erfdeel en mijn beker. Gij onderhoudt mijn lot. De [meet]snoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen, ja een prachtige erfenis is mij geworden” (Psalm 16:5-6).

Ontleend aan de jaarlijkse toewijzing van de percelen van de landbouw, door loting. De velden werden elk jaar met een snoer gelijkmatig verdeeld. Ieder nam een steentje, deed het in een beker, vervolgens ging men langs de akkers en bij elk perceel werd het lot geworpen. Bij het uitdelen van een steentje werd dan steevast gezegd: ‘God, sta in voor mijn lot / handhaaf mijn deel’.

Psalm 8:7-9

“Gij doet hem [=de mens] heersen over de werken van Uw handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gelegd: schapen en runderen, die allemaal, en ook de dieren van het veld, de vogels in de lucht en de vissen in de zee” (Psalm 8:7-9).

Heersen = de mens wordt hier getekend als een koning. Vgl. Genesis 1:26-28.
Alles onder zijn voeten gelegd = in het NT (1 Kor. 15:27 / Ef. 1:22 / Hebr. 2:6-8) op Christus toegepast; Hij de zondeloze mens, bij Hem volle vervulling van deze woorden.
Schapen en runderen = deze volgorde is bewust: kleinvee is het belangrijkste bezit. Runderen zijn er om de ploeg te trekken en het koren op de dorsvloer te treden. Voor runderen is er niet genoeg water en voer, waardoor de melkproductie van een koe slecht is (1/10 van een Nederlandse koe).

Psalm 8:4-6

“Als ik Uw hemel aanzie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereidt hebt, wat is [dan] de mens, dat Gij aan hem denkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet [SV: hem bezoekt]? En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen” (Psalm 8:4-6).

Hemel = de hemellichamen waren voor volken rondom de manifestaties van de grote goden, en het lot der mensen stond erin beschreven. Voor de vrome Israëliet zijn ze het werk van God.
Maan en sterren = deze psalm is een nachtelijke lofzang. De zon wordt niet genoemd.
Mensenkind = Hebreeuws taaleigen, betekent gewoon ‘mens’. SV: zoon des mensen.
Engelen = SV volgt hier de Septuaginta, maar in het Hebreeuws staat: ‘God’. Uit eerbied is dit veranderd. De mens is dus bijna goddelijk gemaakt.

Psalm 8:2

“O HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!” (Psalm 8:2)

Ónze Heere = uit naam van alle mede-gelovigen. God is de algebieder over de hele wereld.
Uw Naam = de Naam van God is datgene wat van Zijn wezen voor de mensen kenbaar is geworden. Zijn openbaring dus. Hier de algemene openbaring in de natuur.

Psalm 8 is een persoonlijk lied van iemand die vol bewondering naar de nachtelijke hemel staart (de zon wordt namelijk niet genoemd in vers 4).

Kolossenzen 3:16-17

“Laat het woord van Christus in rijke mate in u wonen, in alle wijsheid; onderwijs en vermaan elkaar, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Zing voor de Heere met aangenaamheid in uw hart. En al wat gij doet met woorden of met daden, doe dat alles in de Naam van de Heere Jezus, dankende God [en] de Vader door Hem” (Kol. 3:16-17).

Wonen = of ‘inwonen’. Ga er dagelijks mee om, laat het met u verkeren, onder hetzelfde dak.
Onderwijs = Grieks ‘didaskoo’. Denk aan ons ‘didactiek’. Onderwijzen (en vermanen) is dus een taak voor iedere gelovige.
Psalmen, lofzangen, geestelijke liederen = respectievelijk in het Grieks: psalmos (psalm of zelfgemaakt loflied bij snarenspel), hymnos (hymne, koorzang, beurtzang; bij de Grieken was het een feestlied waarin men een god of held prees; in het NT is het een Christuslied, hoewel het ook gewoon kan betekenen: een oudtestamentische psalm zingen), ooidè (gezang, spontaan geestelijk lied in het algemeen). Zowel in het Jodendom als in de christelijke gemeente zijn er vanouds naast de psalmen ook vrije liederen geweest.
Aangenaamheid = Grieks ‘chariti’. Kan ook betekenen: dankbaarheid.
Dankende = Grieks ‘eucharisteoo’. In Kolossenzen 6x zo’n dankzegging: 1:3,12 / 2:7 / 3:15,17 / 4:2.

Kolossenzen 3:14-15

“En boven[op] dit alles doe aan de liefde, die de band der volmaaktheid is. En laat de vrede van God heersen in uw harten, waartoe gij ook geroepen zijt in één lichaam; en wees dankbaar” (Kol. 3:14-15).

Liefde = de liefde bindt alle gelovigen samen, zodat ze niet als los zand zijn. De liefde is het beslissende in de christelijke ethiek.
Band = een riem.
Vrede = heilige opgeruimdheid, vreugde, harmonie, heil. De vrede die God bezit en geeft. De vrede van God en de vrede met elkaar gaan samen op.
Heersen = in het Grieks: scheidsrechter zijn, arbitreren, controleren. Hij die bij atletiekspelen beslist wie winnaar is.
Wees dankbaar = Grieks ‘eucharistos’.

Kolossenzen 3:12-13

“Zo doe dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en [door God] geliefden [/lievelingen]: innerlijke ontferming, goedertierenheid [of: vriendelijkheid], ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid. Verdraag elkaar en vergeef elkaar, als de een tegen de ander een grief heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo moet ook u doen” (Kol. 3:12-13).

Geliefden = kan ook betekenen: door God geliefden. Of gewoon zoals de Joden elkaar plegen aan te duiden, nl. als ‘beminden’.
Innerlijke ontferming = letterlijk: ingewanden van erbarmen (het diepste innerlijk).
Verdraag elkaar = heb geduld met de onhebbelijkheden van je naaste. Elkaar met genade behandelen.

Kolossenzen 3:11

“Waarin niet [van belang] is Griek en Jood, besnedene en onbesnedene, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar Christus is alles en in allen” (Kol. 3:11).

Scyth = een uiterst oorlogszuchtig, bloeddorstig en ruw nomadenvolk uit Zuid-Rusland. Zij dronken bloed van tegenstanders en maakten drinkschalen van de schedels van hun verslagenen.
Alles en in allen = Grieks ‘panta kai en pasin’. Christus is het allesbeslissende en dat in allen. Onderscheidingen waar je je vroeger druk om maakte, spelen geen rol meer. De deuren van Christus’ gemeente staan ver open voor iedereen!

Kolossenzen 3:8-10

“Maar nu moet ook gij dit alles afleggen: gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond. Lieg niet tegen elkaar, aangezien gij uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken, en aangedaan hebt de nieuwe mens” (Kol. 3:8-10).

Afleggen = waarschijnlijk een kernwoord uit het oud-christelijke dooponderricht. Letterlijk staat er: ‘Heb dit alles afgelegd, eens en voor altijd, maar nu ook, steeds weer’. Als het afleggen van kleding die je in je loop hindert.
Gramschap = letterlijk: chronische opvliegendheid.
Toornigheid = letterlijk: onstuimige uitbarsting van boosheid (woede).
Kwaadheid = Grieks ‘kakia’: slechtheden.
Lastering = Grieks ‘blasfèmia’. Hier niet m.b.t. God maar de naaste.
Vuil spreken = schandelijke taal/praat, schuine moppen.
Uitgedaan = betekent in het Grieks: volledig afleggen.
Aangedaan hebt = onvoltooid tegenwoordige tijd. Als het goed is, verslijt deze niet door dagelijks gebruik, maar wordt het steeds nieuwer.

Kolossenzen 3:5

“Dood [!] dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, [seksuele] onreinheid, hartstocht, kwade begeerlijkheid [=vuile verlangens], en de hebzucht, die afgoderij is” (Kol. 3:5).

Dood = gebiedende wijs.
Hoererij = Grieks ‘porneia’, immoraliteit.
Hartstocht = ongecontroleerde seksuele driften. SV: schandelijke beweging.
Hebzucht = gierigheid, inhaligheid, zelf- en hebzucht, de nooit-tevredenheid. Ten diepste ook de bron van alle seksuele verwording.
Afgoderij = Grieks ‘eidoololatria’ (hier komt het woord ‘idool’ vandaan).

Kolossenzen 3:3-4

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus, Die ons leven is, zal geopenbaard zijn [d.i. in Zijn tweede komst], dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid” (Kol. 3:3-4).

Verborgen = opgeborgen, verzegeld zijn. Wij mogen met Christus verankerd zijn in Gods eeuwig wezen. Hij had ons van eeuwigheid in Zijn hart.

In deze verzen is sprake van een chiasme: uw leven met Christus – Christus ons leven.

Kolossenzen 3:1-2

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoek [!, gebiedende wijs] de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittend aan de rechterhand van God. Bedenk [!] de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn” (Kol. 3:1-2).

Indien gij dan = hier niet conditioneel, maar stellenderwijs: dat is toch zo…?
Zittend aan de rechterhand van God = een oudchristelijke belijdenis, gebaseerd op Psalm 8 en 110.
Christus = van Hém is alles te verwachten wat nodig is om in de strijd van het leven vol te houden.

Kolossenzen 2:15

“En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft daardoor [door het kruis, vs. 14] over hen getriomfeerd” (Kol. 2:15).

Uitgetogen = helemaal uitgekleed. Of: wapenrusting uitdoen.
In het openbaar = waarschijnlijk betekent dit woord iets anders: vrijmoedig / stoutmoedig.
Tentoongesteld = als een Romeins heerser op zijn zegewagen met daarachter zijn overwonnen vijanden.

We hoeven dus niet in te zitten over de demonische machten en dus niet angstvallig leven!

Kolossenzen 2:14

“Uitgewist [/verwijderd] hebbende het handschrift dat door zijn inzettingen tegen ons was en ons bedreigde, en heeft dat uit het midden weggenomen door het aan het kruis [vast] te nagelen” (Kol. 2:14).

Handschrift = document (de Mozaïsche wet).
Tegen ons was = ons verplichtend / ons vijandig.
Inzettingen = Grieks ‘dogma’: decreet, bepaling.
Uit het midden = tussen ons instaande als verhindering.
Vastnagelen = daar zit het vast! Nu hoef je niet onder de plak van wie of wat dan ook te zitten. Je bent een vrij mens.

Kolossenzen 2:11-12

“In Wie gij ook besneden zijt met een besnijdenis die zonder handen geschiedt, in de uitrekking [/aflegging] van het lichaam van de zonden van het vlees, door de besnijdenis van Christus; zijnde met Hem begraven in de doop, waarin gij ook met Hem opgewekt bent door het geloof in de werking van God, Die Hem uit de doden heeft opgewekt” (Kol. 2:11-12).

Besneden = de besnijdenis van het hart, wat ook in het OT van een Jood verwacht werd. Vgl. Rom. 2:28. Zo ook ‘besnijdenis van Christus’: een besneden zijn in de weg van geloof en bekering.
Begraven = de besnijdenis van het hart als doodssteek.
Met Hem = het heilshistorische en heilsordelijke liggen hier ineen.
Doop = alles wat herinnert aan het oude zondebestaan wordt afgelegd. Maar heidenen missen nu wel een uiterlijk teken daarvan (de besnijdenis). Daarom de doop.

Dit is de enige tekst in het NT waar een relatie tussen besnijdenis en doop wordt gelegd.

Kolossenzen 2:9

“Want in Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk” (Kol. 2:9).

Wonen = of inwonen. OT: het inwonen van de volheid van God in hemel en op aarde en in het bijzonder onder Israël, in de tempel.

Híj (Christus) is de enige remedie tegen alles wat onze geestelijke gezondheid bedreigt. Alles is altijd in Hem.

Kolossenzen 2:8

“Zie toe [pas op] dat niemand u als buit meesleept door de filosofie en inhoudsloze verleiding, volgens de overlevering der mensen, volgens de grondbeginselen der wereld, en niet volgens Christus” (Kol. 2:8).

Als buit meesleept = ten prooi maakt, kidnapt. SV: als een roof vervoert. Grieks ‘sulagoogeoo’. Misschien een woordspeling met synagoge? De Joodse godsdienst wordt wel vaker als filosofie aangeduid.

Kolossenzen 2:6-7

“Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandel [!, gebiedende wijs] in Hem, geworteld en opgebouwd in [gemeenschap met] Hem, en bevestigd in het geloof, zoals u onderwezen bent; wees daarin overvloedig, met dankzegging” (Kol. 2:6-7).

Aangenomen = Hem welkom heten, ontvangen (van geloofsoverdracht). Het werkwoord staat in de aoristus-vorm: eens en voorgoed. Dit is het startpunt van het hele christenleven.
Geworteld = term uit de landbouw.
Opgebouwd = term uit de architectuur.
Bevestigd = van ‘vastmaken’, steeds sterker worden.

Kolossenzen 2:5

“Want hoewel ik lichamelijk afwezig ben, nochtans ben ik met de geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening en de vastheid van uw geloof in Christus” (Kol. 2:5).

Ordening = goede orde, gesloten linie.
Vastheid = stevig front. Beide zijn militaire termen. Een gemeente in het gelid!

Kolossenzen 1:25-26

“Daarvan [van de gemeente van Christus] ben ik een dienaar geworden, krachtens de bediening die mij door God is toevertrouwd, om onder u te vervullen het Woord van God, de verborgenheid [geheimenis], die eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen” (Kol. 1:25-26).

Bediening = Grieks ‘oikonomia’ (economie): beheer, huishouding. SV: bedeling.
Vervullen = tot zijn volle recht laten komen.
Verborgenheid = Grieks ‘mustèrion’: wat tevoren verborgen was en nu is geopenbaard door God.
Heiligen = de apostelen en profeten van Ef. 3:5 of gewoon: de gelovigen.

Kolossenzen 1:23

“Indien gij maar [tenminste] blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt [u laat afbrengen] van de hoop van het Evangelie, dat gij gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben” (Kol. 1:23).

Indien gij maar blijft ≠ een voorwaarde of bedoeld om een vraagteken bij het geloof van de Kolossenzen te plaatsen. Je moet het als volgt lezen: ‘Maar dan mag ik er ook op vertrouwen dat…’ De imperatief (blijf in het geloof!) rust in de indicatief (Hij heeft u verzoend, zie vorige verzen).
Dienaar = Grieks ‘diakonos’.

Kolossenzen 1:21-22

“En Hij heeft u, die eertijds [voorheen] vervreemd was en vijandig gezind [blijkens] de boze werken [/slechte daden], nu ook verzoend, in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, opdat Hij u heilig, onberispelijk en niet te beschuldigen voor Zich zou stellen” (Kol. 1:21-22).

Vijandig gezind = letterlijk ‘vijanden door de gezindheid’, zie ook SV. Ontdekkende woorden!
Lichaam van Zijn vlees = Jezus’ omwandeling op aarde. Vlees ≠ het zondige vlees.
Opdat = doel van dit alles.
Heilig en onberispelijk = herinnert aan de offercultus.
Niet te beschuldigen = doelt op de rechtspraak.

Kolossenzen 1:19-20

“Want het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou, en dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed van Zijn kruis, ja door Hem, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelf, hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn” (Kol. 1:19-20).

Volheid = in Christus woont de complete totaliteit van allen/alles. Hij is de allesvervullende, de samenvatting van alles. Vgl. de oudtestamentische notie dat God de aarde vervult.
Vrede gemaakt = op Golgotha heeft er een grote wending in de geschiedenis plaatsgevonden. De chaos van een door oorlogen verscheurde wereld wordt straks weer een welgeordend, harmonieus geheel. Er is een pacificatieverdrag getekend!
Verzoenen = in het Grieks: een algehele en complete verandering bewerkstelligen.

Kolossenzen 1:17-18

“En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem. En Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen [/alles] de Eerste zou zijn” (Kol. 1:17-18).

Hoofd = in de zin van bron, bruggenhoofd, koploper.
Begin = Grieks archè: begin, kopstuk, levensbron. Hij Die aan het begin van alle dingen staat, heeft een nieuw begin moeten maken door kruis en opstanding.
Eerstgeborene = de grote Baanbreker.
Eerste = 1e in rangorde. Letterlijk: ‘nummer 1’.